Özüm Canel: Een bom op de gloeiende plaat

Dinsdagavond‬ werd er een aanslag gepleegd op Atatürk International airport in Istanbul. Met ongeveer 60 miljoen passagiers vorig jaar, het op tien na drukste vliegveld ter wereld. Op het moment dat ik dit schrijf zijn er 42 doden gevallen, waarvan tien buitenlanders. Er vielen 239 gewonden.

In het land waarin ik leef heerst onbegrip. Op sociale media reageren mensen verontwaardigd en vragen zich af: ‘Hoe kan het dat ik met mijn broekriem niet door de röntgencontrole kom, maar zij met bommen en wapens wel?’.

Met vrienden in Nederland spreek ik ook over de verbazing die heerst. Hoe verknipt zijn deze mensen, die bereid zijn hun leven op te geven voor zoiets. Dan heb je geen respect voor het leven en heb je blijkbaar niets meer te verliezen. De gedachte dat je door 70 maagden wordt opgewacht, kan dat werkelijk waar een motivatie zijn? Wat voor een gelovige ben je dan? God heeft ons allen geschapen zegt hij dus waarom speel je zelf voor God? Nee, dit heeft niks te maken met geloven in God. Ik geloof. Ik hoef niks aan te pakken jegens de ander. Dat doet God voor mij.

Een paar kennissen van mij zouden rond dat tijdstip vliegen of landen op het vliegveld, maar op miraculeuze wijze heeft het leven ze dat moment gemeden. Zou het echt zo zijn dat als je tijd is gekomen, er geen ontkomen aan is? En als het niet je tijd is, je het overleeft? Is dat troost?

Is het troost dat het niet alleen in Turkije gebeurt? Nee, niks troost. De angstzaaierij, het proberen mensen uit elkaar te drijven, de haat en extreme moordlustigheid moet echt ophouden. De Turkse inwoners die ik tegen kom en zie op sociale media zijn duidelijk: we hebben er genoeg van.

Sinds vorig jaar juli zijn er zeker tien terroristische aanvallen geweest in Turkije. Drie keer in de hoofdstad Ankara, op diverse andere plekken in het land en nu de vierde in de stad Istanbul. Nog 21 dagen voor deze aanslag op het vliegveld was er een aanslag in het toeristische gebied van Istanbul. Geen wonder dat mensen het hier absoluut zat zijn.

Het meest trieste is dat zij niet weg kunnen. Zij zien het land een onmogelijke weg inslaan, maar kunnen er weinig mee. Ik kan op elk moment het land verlaten… Dat heb ik altijd geweten, dat is mijn troost. Ik heb een alternatief. Zij niet.