Lieve mama ik geloof niet meer in jouw God


Het was een zaterdagochtend en mijn moeder zei niets. Haar gezicht was bleker dan normaal en haar handen zaten strakker dan normaal om het stuur van haar zwarte Opel Kadet. Ik keek met een schuine blik naar haar gezicht terwijl mijn hart in mijn keel klopte, niet uit angst, maar uit vreugde voor mijn naderende vrijheid. En misschien ook uit ongemak, want mijn besluit zou gepaard gaan met een hoge prijs.

Een hoge prijs zeg ik. Maar eigenlijk was mijn afvalligheid van het orthodox christelijke geloof een koopje als ik het vergelijk met verhalen die ik de afgelopen week in de Volkskrant las. Verhalen van afvalligen die door familie en omgeving zijn verstoten en bedreigd, soms zelfs met de dood. Horrorverhalen van mishandeling en buitensluiting. Zij zijn en zullen niet de enigen zijn: uit het Freedom of Thought Report 2016 blijkt dat het aantal ongelovigen wereldwijd toeneemt en daarmee ook het geweld tegen deze mensen.

Wie van z’n geloof valt kan dus niet anders dan zich onderweg ergens aan bezeren of als het aan sommige geloofsfanaten ligt zelfs te pletter vallen. En daar gaat het mis, want wij ongelovigen zijn niet per ongeluk van ons geloof gevallen, wij zijn er vaak heel bewust vanaf gestapt, soms na een hele lange pijnlijke zit, ons bewust van alle mogelijke gevolgen. Dat betekent overigens niet dat als we eenmaal van ons geloof zijn afgestapt dat we ernaast gaan staan om neer te kijken op hetgeen we hebben achtergelaten. De strijd is echt. Staan op eigen benen zonder de regels van het geloof is onwennig en gaat gepaard met schuldgevoel en eenzaamheid.

Heen en weer slingerend tussen dat schuldgevoel en de hunkering naar vrijheid hobbelde ik dus bij mijn moeder in de auto naar mijn studentenkamer in Utrecht. Het was misschien wel de langste korte rit in mijn leven. Van mijn moeders gezicht dacht ik te lezen dat ze zich verraden voelde en dat ze woedend was. Inmiddels weet ik dat ze verdrietig, bezorgd, maar ook moegestreden was. Een ongelovige dochter voelde toen als een mislukking en mijn koffer met mijn leven stond als een vonnis in mijn studentenkamer. De autodeur klapte dicht, maar het duurde even voordat ze de motor startte. Zou ze huilen? Zou ze opgelucht zijn net als ik? Of sloeg ze boos haar vuisten op het stuur? Inmiddels hoorde ik de motor en het knarsen van de wielen over het grind. Was ik een slechte dochter? Had zij gefaald als moeder? Geen van ons beiden had nog het antwoord en de stilte deed de afstand tussen ons groeien.

Tot ik bijna twee jaar later, de moed bij elkaar had geraapt om haar te bellen. “Hallo mama, met mij…”, ik hoorde haar ademen aan de andere kant van de lijn. “Waarom bel je?”…. Ik dacht aan de verhalen die ze in mijn geboorteboekje over mij had geschreven toen ik net was geboren. Ze was gefascineerd dat ik bewoog, at en zelfs vaak lachte. En nu vroeg ze waarom ik haar belde. “Gewoon omdat ik je mis mama.” Ze bleef stil, gevangen door de regels van haar religie, maar dwars door de telefoonlijn heen en de kilometers stilte voelde ik dat het goed zou komen. Als God liefde is dan heeft hij moeders het beste bedeeld. Daar kunnen geloofsfanaten nog wat van leren.