Doa Shaikhani: ‘Hokjesdenken’

Terwijl ik gefascineerd naar mijn neefje van acht maanden oud kijk, hoe hij met zijn kleine vingers het vierkante blokje vastpakt en met grote ogen het van alle kanten bekijkt, knijp ik hem in zijn wang. Hij kijkt mij aan en lacht hardop, vervolgens gooit hij het vierkantje krampachtig weg en grijpt onhandig naar het driehoekige rode blokje wat naast hem ligt op de grond. Ik blijf zijn bewegingen aandachtig observeren en moet lachen om de manier van hoe zijn ogen alles verbaasd aanschouwen. Stiekem vraag ik mijzelf af of hij al het verschil, of sterker nog het onderscheid, kan maken tussen de driehoek en het vierkant. Hij smijt het driehoekje onverwachts mijn kant op en ik weet nog net op tijd mijn gezicht met mijn handen te beschermen en het blokje weg te kaatsen. ‘Auw,’ roep ik en kijk mijn neefje streng aan. Hij brabbelt lachend. 

Over een paar maanden kan hij de blokjes waarschijnlijk zelf in het bijbehorende doosje stoppen. Elk in zijn eigen vakje. Het driehoekje in de driehoek, het vierkantje in het vierkant enzovoort. Wanneer ik de blokjes weer bij elkaar verzamel en in het doosje stop, bedenk ik mij of wij mensen niet stiekem kunnen veronderstellen dat ‘in hokjes denken’ menselijk is. En misschien zelfs, in een hele gekke eerlijke wereld, een onmisbare vorm van onze ontwikkeling is.

Wanneer ik onder de bank zoek naar waar het driehoekje is geland dat bijna tegen mijn hoofd gesmeten werd, besef ik mij dat wij ergens hokjes nodig hebben. Iemand die we als hippie zien is niet raar als hij met blote voeten over straat loopt. Maar een man in een net pak op blote voeten, wordt voor gek uitgemaakt. Waarschijnlijk zullen er mensen naar hem wijzen en lachen, terwijl we bij een hippie onze schouders ophalen en het gewoon accepteren dat ze ‘anders’ zijn. Dus misschien hebben wij hokjes nodig om de verschillen te accepteren.

Het lijkt in eerste instantie onschuldig, want wat kan er nou in godsnaam misgaan aan mensen in hokjes stoppen? Als ik het driehoekje vanonder de bank weet te halen en het in de doos wil stoppen, stop ik het per ongeluk in het vierkanten hokje. Mijn neefje ziet het, lacht en brabbelt iets in zijn eigen babytaaltje. Zou het hem ook opgevallen zijn, hoe het driehoekje in het vierkanten hokje paste?

Misschien is dit wel het gevaar van hokjes-denken. Soms stoppen we onbewust mensen in een hokje waar ze in passen, maar er in werkelijkheid niet horen. En soms proberen wij zelf bij een hokje te horen, waar wij niet in passen.

Ik sta op om de doos met de blokjes op te bergen en til daarna mijn neefje op. Ik geef hem een kus op zijn voorhoofd en wens in zijn oor dat hij op zal groeien in een wereld die sterk genoeg is om die hokjes te breken. Een wereld die dat doosje met al die hokjes niet nodig heeft. Maar ook kan denken, zonder een doos.