Rot. Toch. Op.

Broedplaats. Voor mensen. Een oud gebouw waar energie in wordt gestopt. Door de ramen schijnt weer licht, de avond en wijk in. Soms zijn er activiteiten of bijeenkomsten.

Ik ben er veel te vroeg en overweeg een ommetje te maken. Raak dan aan de praat met een van de organisatoren, die ook een beetje buiten staat te zijn. Hij steekt een sigaret op en de blaast de rook elke keer zorgvuldig weg, van mij af.

Met zijn verhalen draait hij zich dan weer terug, in zijn stem warmte. Ik vind zijn accent leuk, zijn taal rijk.

‘Dat is een beetje het probleem met vrijwilligers. Veel goede intentie, weinig…. ‘inzettie’.’

We zijn twintig minuten verder als ik besef dat we elkaars naam niet kennen. Ik vraag hem naar de zijne, we stellen ons aan elkaar voor. Aangenaam, maar het ijs was al gebroken. Gesmolten misschien. Het was geen koude avond.

Even later wordt hij geroepen, in de stem klinkt lichte urgentie. Het gesprek breekt af, de sigaret gaat uit. De jongen, inmiddels met naam, loopt op een drafje weg en biedt zijn excuses aan voor de onderbreking. Ik denk dat hij zich tot zowel mij en zijn collega richt. Ik gniffel en zwaai gedag.

Ook hij is vanavond vrijwilliger. Veel goede intentie, maar voor de plicht werd het misschien iets te gezellie. Ik ga ook naar binnen.

Na een tijdje bijeenkomen is het tijd om naar huis te gaan. Ik ben moe, maar op mijn gezicht een zweem van een glimlach. Het spoor van een fijn gesprek. Nog een.

Goedgemutst loop ik de buitenlucht in.

Precies tegenover het gebouw hangt iets wat mijn blik vangt en mijn nietsvermoedende tred doet vertragen. Bijna ongemerkt sta ik dan stil. Van die glimlach is weinig meer over, woorden hakken erin.

Rot. Toch. Op.

De poster had ik eerder gezien. Op het wereldwijde web. Hier niet. Niet voor een broedplaats, een plek waar ondanks van alles en nog wat met de beste intentie wordt gepoogd te verbinden. Licht te laten stralen. In de buurt van mijn huis. Thuis.

Niet. Hier.

Ik heb al voelend en denkend onbewust VVD-retoriek overgenomen. Demonstratieve punten, zwart-wit, hokjes. Gauw schud ik die voor zover mogelijk van me af om door te kunnen lopen. Me door mijn gedachten te laten meevoeren.

Soms wordt mij gevraagd of ik ‘er’ iets van merk. Afhankelijk van de persoon en situatie kan ‘er’ gedefinieerd worden door een variëteit aan woorden; het veranderend klimaat, de verharde toon, islamofobie… Alles daartussen en daarbuiten. De woorden die ik gebruik om te reageren kennen ook zo hun eigen variëteit, maar het antwoord waarop ze worden gebouwd niet: ja.

Punt.

Het gaat dan niet alleen om onder andere hoeveel hoofddoeken er van hóófden worden afgetrokken. Hoeveel vrouwen met bier worden overgoten. Hoeveel moskeeën worden beklad. Beklad, in het beste geval.

Het gaat ook niet alleen om wat die ene mevrouw bij de bushalte tegen me zei. Of dat ene sollicitatiegesprek bij dat bedrijf met ‘een open cultuur’. Of die ene bus die ondanks mijn zwaaiende armen en charmante glimlach doorreed. Een keer is toeval. Een paar keer niet.

Het gaat echter ook om zaken die niet kwantificeerbaar zijn. Meetbaar. Moeilijk uitlegbaar. Het gemeengoed worden van de term ‘kopvod’ bijvoorbeeld. Oplichtend in het donker.

Kop. Vod. Onmens. Rot. Op.

Het gaat me ook om ‘kleine’ dingen en wat die met mij doen. Dat die zweem van een glimlach die avond niet doorbreekt. Dat mijn hoofd, pardon, kop, uit de wolken wordt getrokken en dat ik bijna vergeet om naar boven te kijken. Te zien dat de maan prachtig is. Het betekent dat ik soms extra hard moet lopen, maar ook twee keer nadenk voor ik een stap zet. Vertraag. Soms stil sta, terwijl anderen wel door kunnen. Mogen.

Dat ik het spannend vind om hierover te schrijven. Niet wil ‘zeuren’ over ‘kleine’ dingen, hoe echt ook. Mijn realiteit. Die van een ander niet. Hoeft ook niet, maar oogkleppen helpen ook niet.

Ik moet me dan namelijk binnen dat kader ‘invechten’.

Dat is jammer. Lastig.

Dit verhaal had namelijk ook kunnen eindigen met ‘gezellie’. Toen ik met mijn rug naar de poster de warmte en het licht binnen stapte, de vrijwilliger vrolijk nakijkend.

Dat deed het niet. Die poster is er, ook als ik die niet direct zie. Het sentiment ook. ‘Er.’ Alles daartussen en daarbuiten.

Voor sommigen doodnormaal.

Gelukkig trekt de maan zich daar, samen met anderen, niets van aan. Die blijft schijnen in het donker. Misschien zelfs feller. Samen.

Doorgaan.