Ik treur geen seconde om de dood van Hanina Ajarai

Hanina Ajarai is het exemplarisch voorbeeld van de redenen waarom ik tegen diversiteitsbeleid ben. De columniste werkt alleen maar bij het Algemeen Dagblad omdat solidariteitstatta Hans Nijenhuis haar zo authentiek vindt en de wereld vertegenwoordigd waar ze vandaan komt. Hij geeft zelfs toe dat hij niet eens zo onder de indruk is van haar schrijftalent (“mwah”). Meestal schrijft ze over onderwerpen die goed passen bij de Marokkaanse huisvrouwen in Koken en Bakken, maar deze week wist de columniste een gevoelige snaar te raken.

Hoewel het verleidelijk is om Ajarai persoonlijk finaal af te branden, want ik vind haar columns gewoon dom, brengt haar schrijven dit keer wel een interessante discussie op gang. De verontwaardiging richt zich voornamelijk op haar kennisgeving dat ze “geen seconde” heeft getreurd om de ramp met de MH17. Dat zou een klap in het gezicht zijn van de nabestaanden. Uiteraard geen geldig argument, want niemand dwingt hen om de tenenkrommende columns van Ajarai te lezen.

Bovendien is niemand verplicht om over wat dan ook te treuren. Voor mij persoonlijk is de lijst van dingen waar ik niét om treur ordes van grootte langer dan de lijst van dingen waar ik wél om treur. MH17 kan mij aan mijn reet roesten, zoals zoveel dingen waar men graag collectief emotioneel over is. Het enige moment dat ik echt treurig was de afgelopen jaren, was toen mijn favoriete jas uit mijn auto werd gestolen en ik helemaal naar Düsseldorf moest rijden om een nieuwe te kopen.

Natuurlijk is het niet netjes om voor zo’n groot publiek te stellen dat het leed van hun dierbaren je gewoon niet interesseert. Het volksgericht dat ontstond na de column van Ajarai merkte echter niet op dat het leed van Abdelhak Nouri en zijn familie haar eigenlijk ook helemaal niet interesseert. En zij is daar niet de enige in.

Terwijl de jongen in het ziekenhuis voor zijn leven vecht en zijn familie in rouw is, hebben verschillende columnisten en activisten hier een gelegenheid in gevonden om de aandacht op hun eigen punten te vestigen. Abdelkader Benali schreef in Trouw over het ontbreken van een goede basis voor Marokkaanse talenten. Jerry Afriyie greep het aan om een betoog te houden over racisme en islamofobie.

De twitterheksenkring van Arzu Aslan was boos omdat Abdelhak afkorten tot “Appie” racistisch zou zijn (terwijl dit bij moslims niet eens ongebruikelijk is). Shabir Burhani, mijn lievelingsextremist, pochte zelfs dat hij met een foto van Nouri vijfhonderd likes had gekregen in een of andere Multi-facebrookgroep (sinds Multiculturele Bijeen weg is, is elke groep multi geworden).

Het is van een zeer bedenkelijke morele orde om de begrijpelijke aandacht voor het leed van Nouri en zijn familie, te misbruiken om onderwerpen naar voren te brengen die over iets heel anders gaan. Zo reduceert men de tragische situatie van Nouri tot slechts een lijdend voorwerp in betogen waarin de auteurs of hun idealen zélf het onderwerp zijn.

Dat is gewoon te vroeg. Wanneer Nouri is hersteld en zijn familie dit alles heeft verwerkt dan is het wellicht gepast om deze tragische gebeurtenis als voorbeeld in een betoog aan te voeren. Maar nu, terwijl de familie waarschijnlijk nog niet eens van de schok is bijgekomen? Dat getuigt van een moreel faillissement dat vele malen ernstiger is dan een over-het-paard-getilde illie die niet rouwt om de MH17-ramp.

———

Hanina Ajarai heeft een column geschreven waarin ze haar excuses aan wil bieden aan de nabestaanden.